De wet “Betalings- en kredietdiensten” werd op 28 mei 2014 in het Staatsblad gepubliceerd.

De financiële regelgeving die voornamelijk betrekking heeft op betalingsdiensten en kredietvertrekking en die de bescherming beoogt van de consument, wordt geïntegreerd in het Wetboek van economisch recht (WER). Ook de regelgeving op het vlak van consumentenkrediet werd aangepast. De wijzigingen situeren zich op het vlak van de promotie, verkoop, en toekenning van het krediet, alsook voor de controle hierop. Het bijbehorend koninklijk besluit regelt de inwerkingtreding.

Met betrekking tot consumentenkrediet voorziet de wet in volgende wijzigingen:

1. Promotie

  • Het verbod om met kredieten te leuren wordt een pak strikter. Momenteel is het al verboden om kredieten van deur tot deur te verkopen. Voortaan zullen bijvoorbeeld ook kredieten die worden aangeboden op straat of in een metrostation niet meer kunnen. Ook per post, telefoon of email ongevraagd kredieten aanbieden kan niet langer.
  • Ook promoties gekoppeld aan het opnemen van een krediet worden verboden. Het geven van een korting op een bepaald product omdat voor de betaling van dat product een krediet wordt aangegaan, is niet langer toegelaten.
  • Bovendien moet de boodschap “Let op, geld lenen kost ook geld” voortaan in iedere kredietreclame worden vermeld.

2. Verkoop

  • Niet iedereen kan zomaar krediet verlenen. Vandaag zijn nauwelijks voorwaarden verbonden aan de toelating om het beroep van kredietgever of -bemiddelaar uit te oefenen. Voortaan zal wie krediet wil verlenen hiervoor een vergunning moeten aanvragen waar duidelijke vereisten aan zijn gekoppeld voornamelijk op het vlak van beroepskennis. De financiële regulator FSMA zal hier nadrukkelijk op toezien.
  • Bij iedere klant moet de kredietgever of –bemiddelaar gebruik maken van een verplicht kredietinformatieformulier waarbij hij om de inlichtingen vraagt die nodig zijn om de financiële toestand van de consument behoorlijk te beoordelen.
  • De kredietgever of –bemiddelaar zal bovendien ook moeten bewijzen dat hij de kredietwaardigheid van de consument voldoende heeft beoordeeld.

3. Toekenning

  • Om consumenten niet nog dieper in de schuldenput te steken, zal voortaan geen nieuw krediet meer kunnen worden toegekend aan wie een achterstand heeft van meer dan 1000 euro. Wie voor minder dan 1000 euro als wanbetaler staat geregistreerd, kan eventueel wel nog een consumentenkrediet krijgen, maar de kredietgever zal dit dan wel uitdrukkelijk moeten motiveren.

4. Controle

  • Tot slot wordt ook op het vlak van de controle een tandje bij gestoken. De FOD Economie zal in de toekomst ook mystery shoppers inzetten om misbruiken met consumentenkrediet eruit te halen.

Inwerkingtreding

Het koninklijk besluit bepaalt dat het “boek VII, titel 4, hoofdstukken 1 tot 3” in werking treedt op 1 april 2015. Consumentenkrediet is het eerste van die hoofdstukken.

Lees de volledige tekst van de wet en het koninklijk besluit:

Wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek VII “Betalings- en kredietdiensten” in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen (1)

Koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van de inwerkingtreding van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek VII “Betalings- en kredietdiensten” in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen, en van de wet van 19 april 2014 tot organisatie van de verhaalmiddelen tegen sommige beslissingen van de FSMA genomen met toepassing van boek VII of van boek XV van het Wetboek van economisch recht, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

Bron: Lexalert

De termijn voor het in overeenstemming brengen met de wet van het reglement van mede-eigendom louter bij onderhandse akte is verstreken.

Artikel 19, §2 van de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken bepaalt dat de syndicus binnen de achtenveertig maanden na de inwerkingtreding van deze wet, d.w.z. uiterlijk tegen 1 september 2014, een aan de artikelen 577-3 tot 577-14 van Burgerlijk Wetboek aangepaste versie van de bestaande basisakte, het reglement van mede-eigendom en het huishoudelijk reglement ter goedkeuring voorlegt aan de algemene vergadering. Voor zover de algemene vergadering op hetzelfde of een later tijdstip geen wijzigingen aanbrengt aan de basisakte, is voor de aangepaste tekst van het reglement van mede-eigendom geen authentieke akte vereist.  Indien een authentieke akte wordt verleden, zal de hypothecaire publiciteit van deze akte uitsluitend gebeuren op naam van de vereniging van mede-eigenaars.

Voormelde termijn van achtenveertig maanden is met ingang van 1 september 2014 verstreken. In concreto betekent dit onder meer dat alle aanpassingen van de statuten aan de artikelen 577-3 tot 577-14 BW, zelfs indien er geen wijziging wordt aangebracht aan de basisakte, het voorwerp zullen moeten uitmaken van een authentieke akte  (art.577-4, §1, eerste lid BW)  en moeten worden overgeschreven op het hypotheekkantoor (art.1 Hyp.W.).

Het tarief van 10% roerende voorheffing stijgt tot 25% roerende voorheffing voor wie zijn vennootschap hetzij voor hetzij na 1 oktober 2014 liquideert.  Wat te doen voor wie zijn vennootschap wel ontbindt maar nog verder moet vereffenen na 1/10/2014?

Het spreekt wel voor zich dat het een vennootschap dient te zijn die zich gedraagt als in vereffening zijnde.  Dus bv geen nieuwe activiteit start.

Wanneer een vennootschap vereffend wordt dan zal een vereffenaar de schuldeisers van de vennootschap betalen, en desnoods hiervoor overgaan tot de verkoop van de activa. Na betaling van de schulden, zal er een netto-actief overblijven, om vervolgens als liquidatiebonus uitgekeerd te worden aan de vennoten/aandeelhouders.

Belangrijk is het tijdstip van uitkering, want wacht men te lang (en dus na 1/10/2014), dan valt men onder 25% regel. Een oplossing kan zijn dat de vereffenaar een voorschot op vereffening toekent.

Wat de roerende voorheffing betreft is het zo dat op de uitkering van een voorschot van de liquidatiebonus (tot 1 oktober 2014) 10% roerende voorheffing ingehouden dient te worden. 

De vereffenaar hoeft evenwel niet zolang te wachten.  Hij kan immers een voorschot op de liquidatiebonus uitkeren (op zijn verantwoordelijkheid). Dit houdt voor de vereffenaar een risico in want wanneer later zou blijken dat er teveel uitgekeerd werd (als voorschot) dan zal de vereffenaar dit moeten trachten terug te vorderen.

Artikel 267 WIB 1992 behandelt de ‘opeisbaarheid van de  voorheffing’.  Het is het moment van ‘toekenning of betaalbaarstelling’ dat van belang is.  Of anders gezegd het moment waarna de genieter ‘definitief en onherroepelijk’ over het voorschot kan beschikken.  De definitieve eigendomsoverdracht is dus van belang.  De kans bestaat evenwel dat het voorschot (al dan niet volledig) moet worden terugbetaald wanneer het netto-actief van de vennootschap onvoldoende is om haar  schulden te kunnen delgen.  Dus ‘definitief en onherroepelijk’ is het nog niet …

Maar. Niettegenstaande deze theorie ziet de fiscus er geen problemen in.  Er bestaat immers een ruling die deze mogelijkheid bevestigt (voorafgaande beslissing nr. 800.245 dd. 16.09.2008).

De Rulingcommissie stelt hier samengevat, dat de uitbetaling van een voorschot op de liquidatiebonus door de vereffenaar wel als een definitieve toekenning of betaalbaarstelling kan aanzien worden en dit vóór het sluiten van de vereffening van de vennootschap.

Bijkomend wordt dit ook opgenomen in de circulaire nr. Ci.RH.421/609.850 (AAFisc 30/2011) dd. 01.06.2011.

Kortom wanneer we abstractie maken van de theoretische onderbouw en enkel kijken naar het administratieve standpunt kan vandaag de 10% roerende voorheffing genoten worden voor die vennootschappen die in vereffening gesteld worden en reeds een voorschot op deze vereffening toekennen aan de vennoten, op voorwaarde dat dit voorschot wordt uitgekeerd voor 1 oktober 2014.

Wat is een Kredietaanbod.
Een kredietaanbod binnen het kader van kredieten toegekend onder de Wet Hypothecair Krediet wordt beschouwd als een definitieve wilsuiting die enkel moet worden aanvaard opdat een overeenkomst zou ontstaan.

Waaraan moet een kredietaanbod beantwoorden.
Vandaar dat de WHypK stipuleert dat alle elementen reeds moeten aanwezig zijn in het aanbod, gezien door de loutere aanvaarding het krediet tot stand komt en dus ook al haar voorwaarden moeten gekend zijn.

Art. 14. Vooraleer de kredietovereenkomst ondertekend wordt, dient de kredietgever aan de kandidaat-kredietnemer een schriftelijk aanbod over te maken dat alle contractvoorwaarden bevat en de geldigheidsduur van het aanbod vermeldt.
(Ten laatste bij het overmaken van het aanbod dient de kredietgever aan de kandidaat-kredietnemer het aflossingsplan van het aangeboden krediet over te maken.)

In tegenstelling tot het gemeenrecht waar niet alle stukken in detail moeten opgenomen zijn (Kh. Brussel, 3/11/1975, B.R.H, 1976, 514), zullen alle bepalingen die onontbeerlijk moeten opgenomen worden in het kredietaanbod, te weten:
- de essentiële elementen (vb. het bedrag van de lening, het doel, …),
- ook de substantiële elementen (vb. de zekerheden die genomen worden, hypotheek, de toepasselijke wet, de rentevoet, de strafclausules, …)
- en ook de bijkomende elementen (dit zijn elementen waaraan partijen geen of weinig aandacht aan schenken, vb. de registratie van de overeenkomst in de CKP, …);

Van zodra alle essentiele en substantiele en bijkomende bestanddelen in het aanbod vermeld staan, ontstaat er door de loutere aanvaarding van de kredietnemer, een kredietovereenkomst.

Geldigheidsduur van het kredietaanbod.
Het aanbod heeft ook altijd een bepaalde geldigheidsduur, en kan niet onmiddellijk terug ingetrokken worden.

Binnen deze geldigheidsduur kan de kredietnemer dit aanbod aanvaarden. Na de termijn gaat het aanbod teniet. Daartegenover staat dat het aanbod gedurende deze periode ook onherroepelijk is en niet meer kan ingetrokken, noch gewijzigd worden.

Deze geldigheidsduur kan aanzien worden als de termijn die de bank geeft aan zijn klant, om hierover na te denken vooraleer hij een aanvaarding doet. Een aanbod dient altijd een geldigheidsduur te bevatten.

Ontstaan van het krediet.
Indien men een kredietaanbod aanvaard ontstaat de kredietovereenkomst, zodat men hier niet zomaar een einde kan aan stellen. Hier kan men een duidelijk onderscheid maken tussen lening en kredietopening.

Een lening komt niet louter en alleen tot stand via een overeenkomst, maar pas wanneer het kapitaal werkelijk ter beschikking wordt gesteld aan de kredietnemer. Zolang de gelden niet werden overhandigd, is er slechts een belofte van lening. Een hypothecaire lening zal dus slechts tot stand komen op het ogenblik dat de gelden ter beschikking worden gesteld van de ontlener. (dit is evenwel een zeer zeldzame vorm van kredietverstrekking). (zie ook Memorie van Toelichting p.8)

Een kredietopening daarentegen werkt anders. Hier heeft de kredietnemer de mogelijkheid om gelden op te nemen (via voorschotovereenkomsten), naarmate hij er behoefte of nood aan heeft. Met als gevolg dat de terbeschikkingsstelling geen constitutief bestanddeel is van de overeenkomst, doch slechts een modaliteit. M.a.w. het contract ontstaat door loutere wilsovereenstemming, zonder dat er hiervoor een overdracht van gelden nodig is. (dit is de meest voorkomende vorm van kredietverstrekking).

Bestaat er een Verzakingstermijn – bedenktermijn:
De Wet op het Consumentenkrediet bevat een mogelijkheid tot verzaken.

Evenwel voorziet deze wet een uitzondering, namelijk Hypothecaire kredieten die onder het toepassingsgebied vallen van hetzij Titel I van het K.B. nr. 225, hetzij titel I van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de wet consumentenkrediet. Met andere woorden, de wet consumentenkrediet en de wet hypothecair krediet kunnen niet cumulatief van toepassing zijn. Deze vaststelling is niet zonder belang, aangezien de wet hypothecair krediet bijvoorbeeld geen bijzondere regelen en sancties bevat op het vlak van precontractuele informatieverplichtingen en ook geen mogelijkheid meer bevat om te verzaken of een bedenktermijn geeft bij het aanvaardde kredietaanbod.

Wat bij verbreking van het getekende aanbod.
Hier zijn de sancties van toepassing opgenomen in het kredietaanbod. Deze kunnen bestaan uit een wederbeleggingsvergoeding (doch evenwel werd het krediet nog niet opgenomen), of louter uit een dossierkost aangerekend door de bank (wat het meest voorkomende zal zijn).
Ingeval van geschillen of discussie omtrent de sanctie : surf ook eens naar http://www.ombudsfin.be/nl/particulieren/ombudsfin/tot-uw-dienst/

Familiale geschillen worden vanaf 1 september bij de vredegerechten weggetrokken. Ze verhuizen dan naar de nieuwe familierechtbanken, die speciaal worden opgericht voor betwistingen rond bijvoorbeeld echtscheidingen en onderhoudsgeld.

Toch wordt de rol van de vrederechters ook uitgebreid. Momenteel behandelen ze geschillen waarbij een particulier betrokken is tot 1.860 euro. Vanaf 1 september wordt die grens opgetrokken tot 2.500 euro.

Bij het aangaan van een levensverzekering wordt niet nauw gekeken bij het aanduiden van de begunstigde? Welke gevolgen kan dit hebben? De verzekeringsnemer is gekend. Dat bent u. Meestal bent u ook de verzekerde (het risico). Maar wat de begunstiging betreft is men meestal niet alert en wordt dikwijls “de echtgenote” of “mijn wettelijke erfgenamen” gezet.

U duidt aan de echtgenote.

Dit is wat men noemt een generieke aanwijzing. Wat zijn de gevolgen? U ging die verzekering twintig jaar geleden aan en ondertussen bent u feitelijk gescheiden van uw vrouw; zonder dat er echter een volledige echtscheiding uitgesproken werd. Aangezien u gehuwd blijft, zal deze beleggingsverzekering toch naar uw “echtgenote” gaan. Het aanwijzen gedurende het lopen van het contract van een andere begunstigde is hier duidelijk aangewezen. Het is zelf zo dat indien uw echtgenote nominatief aangeduid werd (begunstigde is Veronique) een (volledige) echtscheiding geen gevolg heeft en dat de ex echtgenote volledig de som van de beleggingsverzekering zal opstrijken.

Het wordt pas helemaal mooi als u als begunstigde zet : mijn echtgenote, Veronique. Na echtscheiding hertrouwt u met Siska. Wie is dan de begunstigde : niet uw huidige echtgenote want zij heet Siska en ook niet Veronique, want zij is uw echtgenote niet meer. Dit wordt advocatenwerk

U duidt uw kinderen aan als begunstigde(n).

U schrijft: mijn kinderen Dirk en Jan. Dit is een nominatieve begunstiging.  Indien u later nog een kind hebt dat b.v. Piet noemt, zal Piet bij uw overlijden niets krijgen aangezien hij niet nominatief genoemd wordt in de polis.

U kan ook schrijven : mijn kinderen. Dit is ook een generieke aanwijzing. Dan ontvangen de kinderen die aanwezig zijn bij het uitbetalen van het contract de sommen. Het is zelf zo dat er  plaatsvervulling is (art 109 Wet Landverzekeringsovereenkomsten). Stel, van uw twee kinderen is één kind overleden en dat kind had vier kinderen. Aangezien er plaatsvervulling is (dit betekent de kinderen van een vooroverleden kind erven in de plaats van hun vader of moeder), zal elk (klein)kind  1/8 van de uitbetaalde som krijgen.

Wat indien er geen begunstigde is, b.v. omdat de begunstigde overleden is voor de opeisbaarheid van het verzekeringscontract? Dan worden de sommen uitbetaald aan een eventuele subsidiaire begunstigde. Indien die er niet is aan de verzekeringsnemer en als die er ook niet meer is, aan de nalatenschap van de verzekeringsnemer (art 111 Wet Landverzekeringsovereenkomsten).

Let op met het aanduiden van een begunstigde bij een levensverzekering en indien nodig, herroep de begunstiging. U heeft daar altijd het recht toe, tenzij de begunstiging aanvaard is.

Bron: Bespaar Belastingen.be

Voortaan kunnen opstalrechten gevestigd worden op constructies die aangebracht worden op andermans gebouw zonder rechtstreekse band met de grond. Dit is ook het geval indien het gebouw aan iemand anders dan de grondeigenaar toebehoort. Het recht van opstal kan niet alleen gevestigd worden op, maar ook boven of onder de grond. Het opstalrecht kan gevestigd worden door elke titularis van een onroerend zakelijk recht (eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder, ), mits deze de grenzen van zijn eigen recht respecteert. Dit biedt een mooie oplossing voor zonnepanelen.

Vanaf 29 mei 2014 kunt u bij de notaris een verklaring van aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving afleggen of een nalatenschap verwerpen.

Wanneer een persoon sterft laat hij een bepaald vermogen na. Dit vermogen bestaat zowel uit een actief (goederen, rekeningen, aandelen…) als een passief (schulden). Het actief en het passief vormen samen de nalatenschap. De erfgenaam heeft met betrekking tot de nalatenschap drie mogelijkheden.

1/ Ten eerste kan hij de nalatenschap zuiver aanvaarden. Daarvoor hoeft hij niks speciaals te ondernemen. De zuivere aanvaarding kan met andere woorden stilzwijgend gebeuren. Het gevolg daarvan is dat zijn vermogen en de nalatenschap één geheel gaat vormen, ze worden als het ware vermengd met elkaar.

2/ Soms is het zo klaar als een klontje dat er een zware schuldenlast is in de nalatenschap. Indien de erfgenaam niet voor die schulden wil instaan, kan hij maar beter de nalatenschap verwerpen. Je krijgt dan niks, maar je betaalt ook niks, ook geen successierechten. Opgepast: de erfgenaam mag dan wel geen handelingen gesteld hebben die laten vermoeden dat hij de nalatenschap heeft aanvaard. Zo mag hij bijvoorbeeld de nagelaten woning niet leegmaken, om de meubelen voor zichzelf te houden.

3/ Ten slotte kan de erfgenaam kiezen om de nalatenschap te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. In dit geval is er geen sprake van vermenging van de vermogens. Er wordt een inventaris opgesteld waarin de goederen en de eventuele schulden worden vastgesteld. Indien er schulden zijn kunnen die in principe niet worden verhaald op het persoonlijk vermogen van de erfgenaam, enkel op de nalatenschap.

De erfgenaam moet kiezen tussen deze mogelijkheden en kan achteraf niet op zijn keuze terugkomen. Een nalatenschap aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving betekent dus dat je nadien in principe niet meer mag kiezen om de nalatenschap te verwerpen of zuiver te aanvaarden. Het betekent wel dat je bewust kiest om de vermogens gescheiden te houden, zodat je zeker niks uit je eigen zakken moeten betalen. In het ergste geval krijg je niks.

Zowel voor de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, als voor de verklaring van verwerping van een nalatenschap hoeft u niet langer meer naar de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen te gaan (meestal is dit de griffie van de rechtbank waar de erflater zijn laatste woonplaats had voor zijn overlijden), hoewel deze mogelijkheid blijft bestaan. U kunt gewoon naar een notaris naar uw keuze gaan!

De wet van 22 mei 2014 teneinde de regels vast te leggen voor de waardering van het vruchtgebruik in geval van omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2014.

In de praktijk ontstaan er vaak problemen wanneer men de waardering van een recht van vruchtgebruik vraagt. Er zijn hiervoor immers verschillende berekeningsformules in omloop en partijen moeten in beginsel steeds tot een akkoord komen omtrent de vraag welke formule zij zullen toepassen. Het bereiken van een dergelijk akkoord blijkt in de praktijk dikwijls moeilijk gelet op de tegengestelde belangen van partijen: de blote eigenaar wil doorgaans een formule gebruiken die de waarde van het vruchtgebruik zo laag mogelijk houdt, terwijl de vruchtgebruiker uiteraard juist het tegenovergestelde wenst. Dit alles leidt vaak tot familiale ruzies en betwistingen, welke uiteindelijk ook aanleiding geven tot een blokkering van het dossier. Een oplossing voor deze problematiek was dan ook uitermate wenselijk.

De wet van 22 mei 2014 is, op verzoek van de Senaat en in het bijzonder Senator Guy Swennen (indiener van het wetsontwerp), het resultaat van een onderzoek, bespreking en discussie binnen een bijzondere werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de KFBN, het Federaal Planbureau en het Instituut voor Actuarissen in België. Er werd gezocht naar een evenwichtige regeling, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de belangen van de blote eigenaar als met de belangen van de vruchtgebruiker.

Voormelde wet voert regels in voor de berekening van de waarde van een levenslang vruchtgebruik wanneer partijen dienaangaande niet tot een akkoord kunnen komen.

* Er worden twee omzettingstabellen voorzien, één voor mannen en één voor vrouwen. Deze omzettingstabellen geven de waarde weer van het vruchtgebruik.

Deze waardering gebeurt ongeacht de aard van de goederen, rekening houdend met de normale verkoopwaarde van het goed waarop het vruchtgebruik betrekking heeft. Elk goed waarop het vruchtgebruik betrekking heeft zal dus eerst moeten worden ‘omgezet’ in een geldsom, welke laatste gelijk is aan de normale verkoopwaarde van het goed. De waarde van het vruchtgebruik is dan gelijk aan een bepaald percentage van deze som.

De omzettingstabellen worden jaarlijks op 1 juli geactualiseerd.

* Partijen zijn in beginsel nog vrij om de waarde van het vruchtgebruik te bepalen. Bij gebreke aan akkoord zullen de omzettingstabellen door de rechter in principe verplicht moeten worden toegepast.

Anderzijds worden ook de situaties geviseerd die zich technisch gezien buiten het toepassingsgebied van art. 745sexies BW bevinden, zoals bijvoorbeeld het geval waarbij de blote eigenaar en de vruchtgebruiker samen een onroerend goed verkopen en waar er zich vervolgens de vraag stelt naar de verdeling van de verkoopprijs tussen deze blote eigenaar en deze vruchtgebruiker. Ingeval van verkoop van een goed gesplitst in blote eigendom – vruchtgebruik zal de verkoopprijs ook toekomen aan de blote eigenaar, onder voorbehoud van vruchtgebruik

Banken en verzekeraars kunnen voortaan niet meer zo gemakkelijk een schuldsaldoverzekering weigeren aan chronisch zieken of ex-kankerpatiënten. Voor hen was een lening afsluiten en een huis kopen daardoor zo goed als onbetaalbaar. Als verzekeraars tóch een hogere premie vragen, moeten ze het verschil zelf bijpassen.

2.751. Zoveel Belgen kregen in 2011 geen schuldsaldoverzekering. Nog 18.000 anderen moesten een premie betalen die minstens de helft hoger lag dan de standaard. De reden? Ze hebben een ‘verhoogd gezondheidsrisico’, volgens de verzekeraars. Ze hebben astma, diabetes, een handicap of overwonnen kanker. En voor de verzekeraars is de kans té groot dat ze overlijden vóór hun woonkrediet is afbetaald, en dat de verzekeraars dus de rest moeten betalen.

Maar heel wat banken eisen zo’n schuldsaldoverzekering voor ze een woonkrediet toekennen. Of ze geven een veel hogere rentevoet aan wie er geen afsluit. En dus wordt het voor zieken veel moeilijker om een huis te kopen, zelfs als hun ziekte al jaren achter hen ligt.

Volgens Assuralia kunnen verzekeraars nog weigeren om een schuldsaldoverzekering af te sluiten voor langdurig zieken, maar ze kunnen het niet meer ‘botweg’ weigeren. Want elke weigering moet volgens de wet gemotiveerd worden.

Het is voor de consument belangrijk om te weten waarom hij geweigerd wordt, maar het is mogelijk dat het risico te groot is om het verzekeringstechnisch te dragen’, zegt François De Clippele, woordvoerder van Assuralia, de koepel van verzekeringsmaatschappijen, in een reactie op de nieuwe wettelijk regeling die het makkelijker moet maken voor chronisch zieken om een schuldsaldoverzekering af te sluiten.

Amper 0,7 procent van de aanvragen voor schuldsaldoverzekeringen van chronisch zieken wordt geweigerd, en het aantal weigeringen is de laatste jaren nog afgenomen, omdat de verzekeringsmaatschappijen inspanningen hebben gedaan om zoveel mogelijk risico’s te aanvaarden. Maar de risico’s variëren, en in functie van het risicoprofiel zijn bijpremies mogelijk. Die kunnen hoog oplopen’, zegt De Clippele.

De wetgever voorziet nu dat die bijpremies geplafonneerd worden op 125 procent van de basispremie en wat daarboven komt wordt gemutualiseerd via een fonds. Dat fonds zal die bijpremie betalen, dat is het principe van de spreiding van het verhoogd risico in de schuldsaldoverzekering.’

De verzekeraar zit altijd in een spanningsveld, omdat de schuldsaldoverzekering een keuze is van een individuele verzekeringsnemer, en het is met die beperkte populatie dat de verzekeraars het risico moeten evalueren. Elke individuele consument verlangt de juiste de prijs te betalen. Iemand met een laag risicoprofiel is niet noodzakelijk bereid te betalen voor iemand met een hoog profiel. Als een risicoprofiel niet verzekerbaar is, moet de verzekeraar weigeren, maar dat gaat maar om een zeer kleine groep.’

Bron: Het Nieuwsblad 30/04/2014

12345...